Als ik als klein meisje ergens geen zin in had of als ik iets te spannend vond, dan zei ik gewoon dat ik het niet kon. Om er van af te zijn. Maar zo makkelijk kwam ik daar natuurlijk niet mee weg. “Onzin”, zei mijn moeder, “kan niet ligt op het kerkhof, wil niet ligt ernaast”. En dan moest ik het klusje klaren, hoe groot mijn weerstand ook was. Ik kon het niet uitstaan dat mijn moeder deze uitdrukking er telkens bij haalde als ik weer eens tegensputterde. Vreselijk, die dooddoener. Maar nu zie ik dat grappig genoeg toch anders.

Mijn ouders waren aanpakkers. Doeners. Bouwers. Wat mijn vaders ogen zagen, maakten zijn handen. Twee rechterhanden, om het zo maar te zeggen. Mijn moeder was zijn derde rechterhand en samen konden ze bergen verzetten. Dus mijn broertje en ik leerden dan ook: niet piepen, gewoon doen. Oftewel: kan niet ligt op het kerkhof, wil niet ligt ernaast.

Als ik terugkijk op de jaren die achter me liggen, zie ik dat deze uitdrukking ongemerkt onder mijn huid is gekropen. De kracht van de herhaling heeft zijn werk gedaan en daar ben ik achteraf heel blij mee, want ik heb er veel vruchten door kunnen plukken.

Kan niet ligt op het kerkhof, wil niet ligt ernaast.
dooddoener of stimulans?

.

Als kind al leed ik aan enthousiasme en was ik heel actief met van alles en nog wat. Op maandag moest ik turnen, dinsdag had ik handbaltraining, woensdag ging ik paardrijden in de manege, donderdag blokfluitles en zingen bij het kinderkoor en vrijdagavond was er de scouting. In het weekend speelden we een handbalwedstrijd en aansluitend organiseerden mijn vriendin en ik vaak een slaappartijtje. Tussendoor leefden we onze later-als-we-groot-zijn-fantasieën uit en speelden we bootjeze, huissieze, Galactica, Miami Vice, kantoortjeze…

Als ik alleen was (ja, daar was ook nog tijd voor), was ik bezig met tekenen, (barbie)kleding naaien, rommelen op mijn vaders werkzolder, schommelen, kinderfilosoferen en zingen natuurlijk. Mijn ouders grapten wel eens dat ik meer uit dan thuis was. Maar ik vond het heerlijk. Alles was leuk en (ook een groot voorrecht) alles was mogelijk. Plannen konden niet wild genoeg en ik kreeg ook de ruimte om ze uit te voeren. Aan al deze bezigheden lag een gevoel ten grondslag dat het wel goed zou komen, dat het wel zou lukken. Kan niet ligt tenslotte op het kerkhof…

Als kind, als tiener en ook als volwassene kreeg ik regelmatig te horen: “Helen, jij kunt ook alles!” Dan antwoordde ik: “nee hoor, ik kan helemaal niet alles, maar ik dóe wel alles”. Pas jaren later realiseerde ik me dat dit zaadje in mijn vroege jeugd was geplant en dat die stomme, irritante dooddoener zich gaandeweg had omgevormd tot een basis van vertrouwen en stimulans. Het heeft me al die jaren aangespoord om te onderzoeken, te ontdekken en vooral om te dóen.

Wat ik ooit ervoer als een slimme manier van mijn moeder om mij voor haar karretje te spannen (en wat het natuurlijk ook was), koester ik nu als een aanmoediging bij het vormgeven van plannen en ideeën. En als ik nu iemand hoor zeggen “ik kan het niet”, dan galmt er in mijn hoofd mijn moeders mantra. Waarvoor dank!

Welk vader- of moedermantra heeft jou geholpen? Deel het hieronder.